1931
Excelsior-Henderson gaat failliet, Matchless Motorcycle Limited neemt merknaam AJS (Albert John Stevens) over.



1932
Royal Enfield bouwt de Bullet.

Op 28 mei, om 13.02, wordt het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht en is de Zuiderzee geschiedenis en het IJsselmeer een feit.

Tussen Leeuwarden en Groningen rijden gemiddeld 131 motoren per tijdsvak van 14 uur (overdag).



1933
A. de Vries uit Dronrijp en S. Castelein uit Wartena winnen de Elfstedentocht op de schaats in 9 uur en 53 minuten.



1934
Het rijexamen wordt verlengd van 15 naar 30 minuten.

Nimbus opgericht door de Denen Fisker en Nielson. Zij produceren de eerste motor met een telescopische voorvork.

Het vliegtuig De Uiver wordt tweede in de luchtrace Londen-Melbourne. Bij thuiskomst worden gezagvoerder Parmentier, co-piloot Moll, marconist Prins en mecanicien Van Brugge geridderd.

Batavus begint met de productie van schaatsen.



1935
Leeuwarden bestaat 500 jaar.

In de zomer is 30 procent van de arbeidende bevolking werkloos, in de winter 40 procent.



1936
Het jaargemiddelde werklozen bedraagt 414.000.



1937
Ernst Henne zet op een BMW het wereldsnelheidsrecord voor motorfietsen op 279,5 km/u.

In Leeuwarden bezitten 215 inwoners een motorfiets.



1940
10 mei: Duitse inval in Nederland. Het lukt de Duitsers niet de Afsluitdijk over te steken, door het kordate en dappere optreden van het garnizoen van het kazemattencomplex bij Kornwerderzand.

P. Keizer uit De Lier, A. Adema uit Franeker, C. Jongert uit Alkmaar, D. van der Duim uit Warga en S. Westra uit Warmenhuizen winnen de Elfstedentocht op de schaats in 11 uur en 30 minuten.



1941
De Wegenverkeersregeling van kracht. Auto's moeten gaan voldoen aan voorschriften voor verduistering. Er mag alleen op bepaalde uren van de dag gereden worden en er komt een algemene maximumsnelheid.

A. Adema uit Franeker wint de Elfstedentocht op de schaats in 9 uur en 19 minuten.



1942
Sigaretten en snoep gaan op de bon.

S. de Groot uit Weidum wint de Elfstedentocht op de schaats in 8 uur en 44 minuten.



1944
Ariel wordt overgenomen door BSA.



1945
BSA bouwt tijdens de oorlogsjaren in totaal 126.000 M20 legermotorfietsen, naast hun reguliere productie.

Op 15 april wordt Leeuwarden bevrijd door de Canadezen. Pas op 1 juni wordt Schiermonnikoog bevrijd.

Mr. A.W. de Haan wordt waarnemend Commissaris der Koningin. Mr. H.P. Linthorst Homan wordt Commissaris der Koningin in Friesland.



FMC-voorzitters:

23-05-1934: S. de Jong
19-02-1935: H.G. Covers (i.v.m. aftreden De Jong wegens drukte)
30-04-1935: H.G. Covers
24-04-1936: H.G. Covers
08-04-1937: A. de Vries
21-04-1938: J. Harkema
19-04-1938: J. Harkema
11-04-1940: J. Harkema
19-03-1941: J.H. de Jong
05-05-1942: J.H. de Jong (waarnemend, want niemand wilde voorzitter zijn)
april 1943-oktober 1945: J.M. Brusse (waarnemend)
25-10-1945: Th.K. Molenaar


 

 

De gevolgen van de beurskrach van 1929 waren in Nederland vanaf 1931 pas goed te merken. Het aantal werklozen steeg onheilspellend snel. Waren er in 1929 nog slechts 29.000 Nederlanders zonder werk, in 1930 waren dat er 100.000 en in 1933 al 300.000. In de winter van 1935 werd een recordaantal van 500.000 werklozen geregistreerd. In 1933 werd een ministerie van Sociale Zaken ingesteld bij het tweede kabinet-Colijn, dat ook de uitkeringen onder zich kreeg. Die uitkeringen werden in de zomer van 1934 verlaagd, hetgeen in de Amsterdamse Jordaan leidde tot een oproer die door politie en leger werd neergeslagen, waarbij vijf doden en tientallen gewonden vielen.

De broekriem moest stevig worden aangehaald en veel geld voor luxe was er niet. Een motorfiets was een goedkoop transportmiddel, dat wel, maar het is niet verwonderlijk dat het georganiseerd rijden van plezierritten op de achtergrond raakte. Als er al ritten van dien aard in de provincie Friesland plaatsvonden, dan werden ze in ieder geval niet door de FMC georganiseerd. De club leek een stille dood gestorven…

Tot 23 mei 1934. Toen zaten in het Leeuwardense hotel 'De Kroon' 17 mannen bij elkaar die door de heer J.G. Algera uitgenodigd waren te komen luisteren naar een voordracht van de heer A. Douma over het doel van een motorclub. Na deze voordracht tekenden alle aanwezigen zich vol enthousiasme in bij de terstond gevormde motorclub. De heer S. de Jong werd tot voorzitter gekozen, de contributie op ƒ 2,50 vastgesteld en de doelstelling geformuleerd. Na stemming werd besloten dat de vereniging de naam 'Friesche Motorclub' zou voeren; de namen 'Leeuwardense MC' en 'Noord-Friese MC' vielen in ongenade. Er was dus weer een FMC in Friesland. Of moeten we zeggen 'nog steeds'? Deze vraag verdient inderdaad speciale aandacht, maar het antwoord hierop zal pas na de Tweede Wereldoorlog komen. Tot dat moment zullen we uit de doeken doen hoe een vereniging die zich met zo'n luxe als motorrijden bezighield, stand kon houden in een tijd van krapte.

De FMC maakte een daadkrachtige herstart. Een Huishoudelijk Reglement werd gemaakt, een clubvlag werd ontworpen, een clubrit naar de TT van Assen werd uitgeschreven en de feestcommissie van Bolsward werd aangeschreven voor een motorwedstrijd in behendigheid en snelheid. Al snel werd binnen de FMC een wedstrijdcommissie gekozen. De belangrijkste wedstrijden waren grasbaanraces en de nieuwbakken commissie zag graag dat clubleden die hieraan deelnamen 75 procent van de kosten door de FMC vergoed zouden krijgen. Dit voorstel viel niet bij genoeg leden in goede aarde en het ging derhalve niet door. Het werd verstandiger geacht het geld in een reservepot te stoppen, de tijden waren immers onzeker. Het ledenaantal was eind 1934 gestegen tot 61. Een voorstel van een lid van het eerste uur de nieuwe aanwas aan een ontgroening te onderwerpen werd van tafel geveegd. Begrijpelijk, aangezien de oprichters al ruim in de minderheid waren. De laatste rit van 1934 zou gaan langs een route die pas een jaar bestond: een rondrit om het in mei 1932 geschapen IJsselmeer. Een nachtrit nog wel, en dat eind oktober. De rit werd echter op het laatste moment afgelast wegens gebrek aan deelnemers.

In de winter en lente van 1935 werden contacten gelegd met de Zuid-Friese MC, de NNMC, de Asser MC en, aftastend, met de KNMV. Een nieuw bestuur onder leiding van de heer H.G. Covers was voorstander van aansluiting bij de KNMV en de leden stemden hiermee in. De FMC wist de aandacht van de regionale pers te trekken en ook in De Motorrijder, het orgaan van de KNMV, kreeg de club meer dan voldoende aandacht. Die aandacht trokken ze onder meer door deelname aan grasbaanraces te Midlum en Eenrum, maar ook door het uitschrijven van de Drie Provinciëntocht, een monsterrit van 350 kilometer waaraan 56 man deelnamen. Op een flink aantal woensdagavonden trokken de leden van de club de provincie in, maar het aantal deelnemers aan deze ritten werd geleidelijk minder. Een rit naar de Noord-Hollandse bollenvelden kon slechts op de deelname van drie motorrijders rekenen, terwijl aan een kaartleesrit in de omgeving van Leeuwarden maar tien FMC-leden deelnamen.

Het bestuur was hierover zeer ontstemd, maar kon ter compensatie twee flinke opstekers in de zak steken: op een door de 'Haagsche Harley-Davidsonclub' uitgeschreven nachtrit nabij Scheveningen, waaraan het ongelofelijke aantal van 2200 motorrijders deelnam, behaalden de twaalf afgevaardigden van de FMC de negende plaats als deelnemende club. Aangezien de FMC de Haagse club had geholpen met de organisatie van de rit was haar naam ook buiten de provinciegrenzen stevig gevestigd. De FMC zelf had de onderbroken draad van de Elfstedentocht weer opgepikt en kon 103 inschrijvingen boeken. Met slechts een vijftal uitvallers een geslaagde rit. De pers en de Leeuwarder politie hadden met plezier de rit verslagen en in goede banen geleid, dit tot genoegen van het FMC-bestuur. In schril contrast met de goede cijfers van de Elfstedentocht stond het aantal leden van de FMC zelf. Het dalende aantal deelnemers aan de clubritten was een weerspiegeling van het dalende ledenaantal. Nog slechts 42 leden bleven in 1935 trouw aan de FMC en het bestuur deed een dwingende oproep aan hen allen meer propaganda te maken.

Ondanks het fors geslonken ledenaantal werden er toch nog ritten uitgeschreven, zij het flink wat minder. De drie ritten die in 1936 werden gehouden spraken de deelnemers tot de verbeelding, maar ze waren het erover eens dat de controle verbeterd diende te worden. Het aantal leden dat de in 'De Groene Weide' gehouden vergaderingen bezocht werd ook steeds kleiner. Het bestuur besloot daarom aan de gevel van die uitspanning een mededelingenbord op te hangen, opdat leden die op een ander tijdstip langskwamen toch de laatste FMC-nieuwtjes konden lezen. In 'De Groene Weide' werd tevens de prijzenkast van de FMC opgehangen, die inmiddels redelijk gevuld begon te raken. In stoffelijke zin begon de FMC steeds meer vorm te krijgen, mede doordat vaantjes, insignes en briefpapier hun intrede deden. In personele zin was echter het omgekeerde het geval.

De negatieve tendens zette zich voort tot ongeveer 1938. Op zich was dit niet verwonderlijk, want in de Nederlandse samenleving is het ook nog niet allemaal koek en ei. De regering had in 1936 uiteindelijk besloten tot devaluering van de gulden, zodat die de pond en de dollar kon volgen, maar daarmee was slechts de piek van de crisis bedwongen. Het aantal werklozen zakte slechts gestaag; over 1936 waren dat er nog altijd 414.000. Er was niet veel geld te verteren en dat merkte de FMC ook. Het gaat iets te ver om te zeggen dat de club een slapend jaar doormaakte, maar met alleen een Elfstedentocht en enkele zeer kleine ritjes mag 1937 zeker geen topjaar worden genoemd. De uitkomsten van 1937 waren zo beroerd dat het bestuur besloot de contributie te verlagen naar één gulden. In de verenigingskas was slechts nog een bedrag van ƒ 6,44 aanwezig en dat was onvoldoende om een rooskleurige toekomst tegemoet te zien. De nieuwe voorzitter, de heer A. de Vries, meende dan ook te moeten stellen dat 'het karakter van de club eenigszins eenvoudiger' was geworden.

Propaganda was het sleutelwoord en mede om die reden werd besloten dat de prijzenkast bij FMC-leden die tevens motorhandelaar waren in de etalage zou worden geplaatst. De eerste firma die dit geluk ten deel viel was die van de heer Mebius. Het gebrek aan liquide middelen noodzaakte de FMC de organisatie van haar Elfstedentocht voor het jaar 1938 aan de KNMV over te laten, iets dat wel duidelijk maakt dat de FMC in slecht vaarwater was geraakt. Maar gelukkig raakte ze niet aan lager wal. In april 1938 werd de heer J. Harkema tot voorzitter gekozen, die samen met een paar actieve leden de club weer de plaats wist te bezorgen die haar toekwam. De FMC bleek wel degelijk in staat een flink aantal ritten te organiseren, zoals de Knobelrit, een terreinrit in Norg en een uitstapje naar Bergen aan Zee. Samen met een honderdtal andere motorrijders werd deelgenomen aan de door de KNMV uitgeschreven Elfstedentocht. In samenwerking met de Harlingse motorclub 'Flying Dutchmen' werd een 'Onbekende bestemmingrit' georganiseerd. Het ledental begon ook weer te groeien, zelfs in zo'n mate dat het honderdste lid dat zich zou aanmelden op een verrassing kon rekenen.

Aan het einde van het jaar was er zelfs genoeg geld in kas om een feestelijke avond in 'De Groene Weide' te organiseren, waarbij de eigenaar de locatie gratis ter beschikking stelde. De feestavond stond in het teken van de huldiging van de heer J.D. Visser uit Midlum. Deze was er tijdens de TT van Assen in geslaagd het nationaal kampioenschap in de 350cc-klasse te veroveren. Het bestuur van de FMC bedacht hem met een combinatie van een rooktafel en schemerlamp, terwijl zijn vrouw een bloemstuk in ontvangst mocht nemen. Ook de heer G. Roosjen werd in de bloemetjes gezet vanwege zijn zesde plaats tijdens de TT. Andere FMC-renners waren onder andere E. Jansma, S. Postma en J. van der Ley. De zwaarste tijden voor de FMC leken geleden te zijn, maar aan de grenzen van het land loerde reeds een gevaar dat slechts door een enkeling gezien werd.

In het jaar 1939 groeide de FMC tot honderd leden, nog steeds allemaal van het manlijke geslacht. Er werd besloten de contributie op één gulden te houden; gezien de goed gevulde kas was dit mogelijk. De leden vertoonden grote activiteit op allerlei gebied. Op motorgebied waren er een paar zeer fanatieke leden. Zij deden mee aan nachtritten van 600 kilometer, de 'Elf Provinciale Hoofdstedenrit' en een der bestuursleden ging zelfs op de motor naar Berlijn en Praag. Dat laatste kan gezien worden als een prestatie van formaat, zowel op technisch als fysiek gebied. Het is opvallend dat de FMC zeer nadrukkelijk toenadering tot het bedrijfsleven zocht en ook dat bedrijven toenadering tot de FMC zochten. Zo werd er in Eernewoude het hotel 'Princehof' geopend en de eigenaar verzocht de FMC een sterrit hiernaartoe te organiseren. Gratis kruidkoek en, als prijzen, een herenfiets en een boottochtje, werden aangeboden. Aan de rit namen 91 man deel. Dat de saamhorigheid onder de leden groot was, bleek wel toen een aantal leden spontaan besloot een rit naar Ugchelen, waar de voorzitter tijdelijk in het ziekenhuis lag, op te nemen in de rittenkalender. De inmiddels traditionele rit naar de TT van Assen ontbrak ook dit jaar niet, evenals de terreinrit in het Drentse Norg. Doordat de FMC steeds met grote aantallen leden aan de start van ritten verscheen die door andere motorclubs waren uitgeschreven, zoals de Vossenjacht te Bareveld, begon de prijzenkast dusdanig gevuld te raken dat een tweede nodig was. Deze kast werd opgehangen in de etalage van de heer Roosjen.

Haast vanzelfsprekend stond de Elfstedentocht ook weer op de kalender. Net als in voorgaande jaren mocht de FMC weer een honderdtal deelnemers verwelkomen. Onder deze deelnemers was ook een vrouw, mevrouw Brusse. Zij ontving aan de finish een zilveren suikerschepje. De heer Pietersen uit Scheveningen, op een reeds twaalf jaar oude motorfiets, ontving een verguld zilveren medaille voor zijn prestatie de meeste kilometers tot aan de start te hebben afgelegd. De goede samenwerking tussen het bedrijfsleven en de FMC had inmiddels geresulteerd in het ter beschikking stellen van prijzen door diverse firma's, hetgeen de FMC zeer waardeerde en de clubkas ontzag. Maar niet alleen met het bedrijfsleven verliepen de contacten uitstekend. De FMC had bij de tochten mogen rekenen op de bereidwillige medewerking van de politieautoriteiten en wel in zo'n mate dat de voorzitter meende te mogen constateren dat 'het bestaan van een motorclub in Friesland wel gewaardeerd wordt.' Geheel in lijn hiermee werd de hoofdcommissaris van de politie in Leeuwarden het erelidmaatschap van de club aangeboden, die dat op zijn beurt dankbaar aanvaardde.

Maar het waren niet alleen positieve gebeurtenissen die de FMC meemaakte. De schaduw van het regime in het oosten reikte over de grenzen van het neutrale Nederland heen. Op 1 september 1939 was Polen door de Duitsers binnengevallen en dat was indirect voelbaar voor de Friese motorrijders. Ter gelegenheid van de grote landbouwtentoonstelling in Leeuwarden, 'Frieslands Roem', zou op 9 september een toerrit annex behendigheidsrit worden gehouden, in samenwerking met de VVV en mogelijk gemaakt door diverse firma's. Door de 'ingetreden ernstige oorlogsomstandigheden' kon deze geen doorgang vinden. Een aantal leden werd in het kader van de mobilisatie onder de wapenen geroepen, terwijl anderen het raadzaam achtten hun motorfiets aan het leger af te staan. De wens van de voorzitter dat aan deze omstandigheden een spoedig einde zou komen, werd helaas niet vervuld.

Aan het begin van het jaar 1940 had de FMC nog steeds dezelfde honderd leden als voorheen en een bedrag van ƒ 77,71½ vulde de kas. De FMC schreef slechts één rit uit, de Elfstedentocht. Dit had alles te maken met het dringende verzoek van de overheid tot besparing van benzine. De op 2 mei gehouden tocht trok 76 manlijke deelnemers, wederom mevrouw Brusse als enige vrouwelijke deelnemer en verder reden zeven auto's de tocht mee. Het oliebedrijf 'Beveroil' had aangeboden de kosten voor het afdrukken van de routes voor haar rekening te nemen, zodat dit niet op de FMC-kas drukte en het merk zich onder de permanente aandacht van de druk lezende deelnemers mocht verheugen. Acht dagen na de Elfstedentocht vielen de Duitsers het neutrale Nederland binnen. Aangezien verslagen van vergaderingen door de bezetter werden gelezen, beperkte de voorzitter zich in het jaarverslag over 1940 tot de vaststelling dat 'de in het vorige verslag reeds genoemde internationale verwikkelingen, inmiddels in een oorlogstoestand zijn overgegaan, met de voor de motorsport daaruit voortvloeiende noodlottige gevolgen.' Een eufemisme van formaat, maar helaas de bittere realiteit. Hoe kwam de FMC de vijf donkere jaren door?

De voorzitter had niets te weinig gezegd. De weinige motoren die niet door het Nederlandse leger waren gevorderd, moesten worden verstopt of werden door de nieuwe machthebbers in beslag genomen. Benzine was voor het houden van plezierritten niet te verkrijgen. Wat motorrijden betreft had de FMC dus helemaal niets te bieden. Maar de vereniging opheffen, dat idee kwam geen moment in de hoofden van de leden op. Al vrij kort na de vestiging van het nieuwe regime kwam de verordening dat alle niet-commerciële verenigingen en stichtingen opgave moesten doen van hun doelstellingen, de samenstelling van het bestuur, het ledental, de kaspositie en de bezittingen. Het bestuur had net besloten het complete bedrag dat in kas was, zo'n ƒ 150,-, uit te geven aan clubmiddelen als armbanden en vaantjes. Daar werd echter een stokje voor gestoken. De Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied had verordend dat de banktegoeden van verenigingen en stichtingen niet aangesproken mochten worden, waarschijnlijk met het doel ze te kunnen confisqueren. Diezelfde Rijkscommissaris, de Oostenrijker Seyss-Inquart, had verder verordend dat verenigingen hun jaarverslagen en dergelijke ter controle naar de bezetter dienden op te sturen. Het mag daarom niemand verwonderen dat de verslaglegging van de FMC in vrij algemene en neutrale termen plaatsvond.

Het moest voor de FMC-leden een rare gewaarwording zijn geweest, lid te zijn van een motorclub in een land waar motorrijden alleen was weggelegd voor buitenlanders. Ze lieten de kop echter niet hangen en probeerden het verenigingsleven voort te zetten met andere middelen. Vergaderd werd er in ieder geval nog wel, maar in 1941 waren er meerdere oproepen nodig om meer dan drie leden bij elkaar te krijgen. Waarover viel er zoal te vergaderen? Om te beginnen moesten de opgelegde beperkingen aan de leden verduidelijkt worden, maar ook de veranderde positie van de KNMV, die gedurende de oorlogsjaren als NMV door het leven moest, kwam ter sprake. Op motorisch gebied kon de NMV ook weinig betekenen, maar de verplichte rijloze periode kon misschien wel gebruikt worden voor voorlichting, technische cursussen of wat dies meer zij. Maar ook de dagelijkse dingen eisten de aandacht van de leden, zoals een naar incident aangaande de voorzitter. Hij was niet komen opdagen bij de jaarvergadering van 1941 en ook niet herkiesbaar als voorzitter.

Na enig aandringen vertelde een bestuurslid dat de voorzitter zijn positie had misbruikt om zich ten koste van de club voordelen te verschaffen. Als voorbeeld diende hierbij de afspraak die hij gemaakt had met de uitbater van een hotel om daar de jaarlijkse feestelijke vergadering te houden, terwijl die locatie door de rest van het bestuur uitermate ongeschikt was bevonden. Het voorstel van het bestuur om naar een andere plek uit te zien wilde hij niet in overweging nemen. Dit gegeven, samen met niet nader omschreven bewijzen van eerder positiemisbruik, waren voor het bestuur voldoende aanleiding het vertrouwen in de voorzitter op te zeggen. Een onaangename beslissing, die echter wel op begrip van de leden kon rekenen. De heer J.H. de Jong kreeg van de leden de twijfelachtige eer voorzitter te worden van een vleugellamme motorclub, maar hij kweet zich uitmuntend van zijn taak. Waarom zou je namelijk een motor nodig hebben om als club op pad te gaan of als je een gezellige avond wilde organiseren? Voor het eerste zijn er andere vervoersmiddelen en bij het tweede is een motor alleen maar een sta-in-de-weg. De FMC gooide het over een andere boeg.

Op juli 1941, Pinksterzondag, verschenen er 's morgens vroeg bij hotel 'De Bleek' 142 personen, waaronder veel dames, aan de start van de door de FMC georganiseerde Pinksterrijwieltocht. Waar in voorgaande jaren tientallen ronkende motorfietsen de dienst hadden uitgemaakt, werd de weg nu opgeëist door aanmerkelijk stillere fietsen. Er was een toertocht uitgezet; het wedstrijdelement dat de gemotoriseerde versie zo kenmerkte was opzij gezet. De deelnemers volgden een route van een kleine vijftig kilometer, waarbij ze de middagrust konden doorbrengen bij hotel 'Princehof' in Eernewoude. De uitbater daarvan, de heer Miedema, was zo vriendelijk alle deelnemers in de gelegenheid te stellen een gratis boottochtje te maken, geheel in overeenstemming met het doel van de toertocht, namelijk de mensen nader tot de natuur te brengen. Slechts vier deelnemers konden na afloop geen 'kruisje' in ontvangst nemen; zij hadden een controlepost gemist. De organisatie was in dat opzicht net zo streng als in de gemotoriseerde tijd. De overige 138 deelnemers ontvingen, naast een 'kruisje', een verjaardagskalender die beschikbaar was gesteld door de Algemeene Friesche Levensverzekering Maatschappij.

De samenwerking met het bedrijfsleven bleef goed, hetgeen niet geheel onbelangrijk was omdat de FMC niet bij haar banktegoeden kon komen. Al met al was de tocht naar bijna ieders tevredenheid verlopen. De deelnemers hadden een prachtige dag gehad en de inschrijfgelden hadden de club enig handgeld verschaft. Maar het bestuur was zo ontstemd over het feit dat er bijna geen clubleden aan de tocht hadden deelgenomen, dat zij besloot de rest van het jaar geen rit meer te organiseren. Toch kon het jaar, naar omstandigheden, niet echt slecht worden genoemd. Het ledental had niet geleden onder de veranderde omstandigheden: twee vrouwen en zo'n negentig mannen waren lid, evenveel als in de voorgaande jaren. 

'Het tweede benzineloze jaar is weer voorbij en het derde zijn we reeds ingetreden, doch vol hoop op betere tijden blijft de club zijn leven voortleven zonder aan ledental in te boeten.' Deze woorden werden in mei 1942 door de notulist aan het begin van het vergaderverslag gezet. Ze geven op prachtige wijze weer hoe aan de ene kant een zekere moedeloosheid te ontwaren valt, terwijl aan de andere kant de blik voorwaarts gericht is, naar een betere toekomst. De rol van de FMC kan in deze periode misschien gedefinieerd worden als een samenbindende en afleidende. Deze twee elementen keren steeds weer terug bij alle dingen die de FMC wilde, kon en mocht organiseren. Waar moeten we dan zoal aan denken? Besloten werd toch weer een Pinksterrijwieltocht te organiseren. Deze zou plaatsvinden op 24 mei, maar de weersomstandigheden waren die dag zo slecht, dat de tocht een week uitgesteld moest worden. De opkomst was slechts een fractie van die van het voorgaande jaar: slechts 33 fietsers namen aan de tocht deel. Wederom schitterden de FMC-leden door afwezigheid en dat was voor het bestuur aanleiding om in 1943 geen tocht uit te schrijven, nog los van de slechte 'bandenpositie'.

Wat wel erg aansloeg onder de leden was de technische cursus die de heer G. Roosjen, onder auspiciën van de NMV, op een zestal avonden in 'De Groene Weide' gaf. De cursus werd feestelijk besloten met een filmavond en een rede door de secretaris van de NMV. Hoewel het vroeger nooit de gewoonte was om 's winters iets voor de leden te doen, was dat vanaf 1942 juist wel het geval. Op veler verzoek werden een aantal gezellige avonden in 'De Groene Weide' gehouden. Deze avonden werden gevuld met kaarten, sjoelen en kegelen. Op die avonden waren gemiddeld zo'n 29 leden aanwezig en vervulden duidelijk de behoefte aan groepsbinding en het verzetten van de geest. Op bestuurlijk gebied bleef alles bij het oude, met dien verstande dat niemand zin had om voorzitter te zijn. De heer De Jong, in 1941 nog voorzitter, werd waarnemend voorzitter.

In de jaren 1943 en 1944 werden door de FMC geen ritten uitgeschreven. De nadruk lag op voorlichting. Voor dit doel werden een aantal causerieën gehouden. De NMV, die het clubleven in heel Nederland in haar bestaan bedreigd zag, steunde deze causerieën met raad en daad. Zo kwam de heer G.J Bruinsma, lid van het hoofdbestuur, tot tweemaal toe uit Amsterdam om een avondvullend programma over 'krasse staaltjes uit een grijs verleden' te houden, werden films vertoond en had de toerleider van de NMV een volle zaal aan zijn lippen hangen. Het geven van die causerieën was niet alleen voor de FMC-leden interessant, ook de uitgenodigde sprekers, veelal afkomstig uit de grote steden in het westen des lands, hadden profijt van het feit dat zij even in de provincie waren. Op discrete wijze werd namelijk verzocht de financiële vergoeding om te zetten in een voedzame, aan welke verzoeken de FMC steeds kon voldoen. De NMV had in de loop van 1943 plannen gemaakt over hoe het verder moest met gemotoriseerd Nederland. Het plan was om één grote motorrijdersbond te vormen, om zodoende met de andere verkeersbonden sterk te staan tegenover de autoriteiten en vérstrekkende concessies te verkrijgen op het gebied van verkeer en sport. De FMC stemde, bij monde van de in 1943 verkozen waarnemend-voorzitter J.M. Brusse, in met dit voorstel en besloot zich om te vormen tot de NMV-groep 'Leeuwarden en Omstreken'. De naam 'Friesche Motorclub' bleef gehandhaafd, het 'Leeuwarden en Omstreken' werd toegevoegd.

Het was duidelijk dat de Nederlandse motorrijders in het algemeen, en de Friese motorrijders in het bijzonder, de moed niet opgaven. Ze moesten en zouden motorrijden, het grootste plezier in hun leven. Groot was dan ook de blijdschap toen op vijf mei 1945 de gehate bezetter moest capituleren. Eind oktober van het bevrijdingsjaar werd er tijdens een drukbezochte vergadering weer een echte voorzitter gekozen, de heer Th. K. Molenaar. De ook aanwezige afgevaardigde van de KNMV sprak de hoop uit dat er spoedig weer gereden zou kunnen worden. De nieuwe minister van Verkeer en Energie stond welwillend tegenover de motorsport, dit in tegenstelling tot voor de oorlog. Het in de oorlog ontstane plan één grote motorrijdersbond te vormen moest volgens de KNMV-afgevaardigde niet als een oorlogsverschijnsel worden gezien, maar als de reële toekomst. Daarover nam het nieuwbakken FMC-bestuur géén beslissing, wel over het geven van een grote feestavond voor de inmiddels al meer dan honderd leden. De feestavond, van een omvang die bij de FMC nog niet eerder was vertoond, werd op 14 december gehouden in de zalen 'Schaaf'. Het was een overweldigend succes en de moeite van het herhalen meer dan waard.

De bevrijding lag toen inmiddels al weer enige maanden in het verleden, maar of die voor de FMC-leden daadwerkelijk 'de kans om spoedig weer te mogen rijden' bracht, zoals een opgewekte notulist noteerde, is nog niet helemaal duidelijk. Nederland had zwaar te lijden gehad onder de bezetting en de gevechten en vernielingen die daarop volgden. Het land lag letterlijk in puin en de eerste prioriteit van het Militair Gezag lag niet bij motorrijden. Het land moest worden opgebouwd, misdadigers moesten worden vervolgd, de democratie moest worden hersteld en de hongerende magen moesten worden gevuld. Nee, motorrijden was wel het laatste waar iemand zijn gedachten over wilde laten gaan. Maar dan hadden ze buiten de FMC gerekend. Haar leden konden maar aan een ding denken: motorrijden. Het jaar 1946 gingen zij vol blijde verwachtingen en grootse plannen in.