1946
Honda, opgericht door Soichiro Honda, begint motorfietsen te produceren.

In Nederland zijn 60.211 motoren.



1947
In Friesland wonen 399.659 mensen.

J. van der Hoorn uit Ter Aar wint de Elfstedentocht op de schaats in 10 uur en 51 minuten.



1948
Op 5 november trekt een windhoos toevallig precies over de windmeter op Vlieland: resultaat is een windstoot van 202 km/u, de hoogste windstoot ooit in ons land gemeten.



1949
De internationale wegraces voor motoren worden onder de noemer Grand Prix geplaatst, maar Assen blijft als enige GP de TT heten.

De Wegenverkeerswet van 1949 vervangt de sterk verouderde Motor- en Rijwielwet. Voetgangers worden eindelijk opgenomen in de wet - ze zijn niet verplicht zich aan verkeerslichten te storen - en ons huidige systeem van kentekens wordt ingevoerd.

Er komen strengere strafbepalingen voor verkeersdelicten (alcoholgebruik bijv), de geldigheidsduur van rijbewijzen gaat van twee naar vijf jaar.

De maximum snelheid voor personenwagens vervalt en brommers worden gelijkgesteld aan fietsen.

Vreemd is dat de aanwezigheid van mechanische richtingaanwijzers verplicht wordt, maar het gebruik niet! 'Amerikaanse' knipperlichten (clignoteurs) worden toegestaan.



1950
Op 13 november wordt de Philips-vestiging in Drachten geopend, op 14 november rolt de eerste tweekoppige Philishave van de band.



1951
Triumph wordt overgenomen door BSA.

Op 2 oktober vindt de eerste tv-uitzending in Nederland plaats.

Invoering Wegenverkeerswet en Wegenverkeersreglement (van 1949).

De geldigheid van het rijbewijs wordt vijf jaar. Het rijbewijs kent vijf categorieŽn: A motorfietsen en driewielers, B+E personenauto's en aanhangers, C+E vrachtauto's en aanhangers, D+E bussen en aanhangers. E komt automatisch bij B,C en D.

Het bromfietsrijbewijs wordt afgeschaft. Het lesgeld wordt gesteld op f2,50. Invoering van de oefenvergunning voor motorrijders.



1952
Suzuki begint met de bouw van motorfietsen.

Er emigreren 80.000 Nederlanders naar Canada, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten of AustraliŽ.



1953
De laatste Indian rolt van de band.

In Nederland zijn 118.229 motoren.

31 januari - 1 februari: watersnoodramp in Zeeland, met als gevolg 1835 doden.



1954
Ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van de bedwinger van de Zuiderzee, ir. C. Lely, is door koningin Juliana op 23 september een monument onthuld op de Afsluitdijk.

Jeen van den Berg uit Nijbeets wint de Elfstedentocht op de schaats in 7 uur en 35 minuten.



1955
Vincent HRD stopt, Yamaha begint productie motorfietsen.

In Nederland zijn 146.171 motoren.

Ingebruikname van het nieuwe circuit van Assen, met een lengte van 7.705 meter. Dirkus Veer wordt vierde in de 500cc-klasse op een viercilinder Gilera.

De wet-Cals regelt het onderwijs in twee talen, het Fries en het Nederlands.



1956
MZ opgericht nadat de Russen DKW ontmantelen.

In Friesland is er 0,1 televisietoestel per 1000 inwoners.

Buitenlandse rijbewijzen mogen worden omgewisseld voor Nederlandse.



1958
Adler stopt met de bouw van motoren.



1959
Invoering van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).



1960
Nimbus stopt de productie.

In Friesland zijn er 24 televisietoestellen per 1000 inwoners.

In Friesland wonen 478.931 mensen.

Op Tweede Pinksterdag worden er op de weg Rauwerd-Sneek 1.125 motorfietsen geteld, tegen een normaal daggemiddelde van 60.

Op het verkeersplein bij Heerenveen worden diezelfde dag 549 motorfietsen geteld, tegen een normaal daggemiddelde van 70.

De Spatlappenwet. Elke auto moet spatlappen van een bepaald formaat installeren. Afgezien van de vele miljoenen dat dit met zich mee zou brengen aan kosten, blijkt een dergelijke montage vaak fysiek niet eens mogelijk. De verordening wordt dan ook nooit uitgevoerd!

Het rijexamen wordt verlengd naar drie kwartier.



FMC-voorzitters:

11-06-1946: Th.K. Molenaar
22-03-1947: J.H. Jansonius
13-03-1948: J.H. Jansonius
23-03-1949: A.G. Jager
A.G. Jager tot einde hoofdstuk


 

 

In het eerste naoorlogse jaar waren de leden van de FMC opgewonden en vol dadendrang. De vijf ritloze jaren moesten snel worden gecompenseerd met ritten en wedstrijden en wel op korte termijn. Edoch, er was buiten de overheid gerekend. Zolang die haar gedachten vooral liet bepalen door de problemen van de wederopbouw en de daarmee samenhangende verdeling van schaarse middelen als benzine, was het nagenoeg niet mogelijk een rijvergunning te krijgen. Daarnaast hadden veel leden geen motor meer en een vervangend exemplaar was nauwelijks te bemachtigen.

Van de geÔmporteerde motoren ging het gros naar het leger en andere overheidsdiensten, wat nog beschikbaar kwam voor particulieren was vaak van een dusdanige kwaliteit dat alleen zeer bedreven knutselaars daar lol aan konden hebben. Maar dat alles kon de euforische stemming niet drukken. Er werd gekeken naar wat wel werd toegestaan en dat waren ritten en wedstrijden op afgesloten terreinen en het gebruik van een motor voor zakelijke doeleinden. Van de laatste mogelijkheid werd door wie dat kon dankbaar gebruik gemaakt, voor de eerste mogelijkheid zou het inventieve bestuur wel een oplossing vinden.

Ondanks de beperkingen lukte het toch nog in 1946 een aantal ritten te organiseren; de eerste was een behendigheidswedstrijd op een afgesloten terrein in Oldeberkoop, terwijl ook een najaars-puzzlerit van een kleine negentig kilometer werd uitgeschreven. De honderd deelnemers kennende tocht was echter een uitzondering op de regel, want voor andere ritten werd geen vergunning afgegeven. Het bestuur richtte daarom haar pijlen op het verkrijgen van een afgesloten terrein, maar kreeg van de gemeente Leeuwarden geen antwoord op een verzoek om een dergelijk terrein. In 1947 werden de teugels iets gevierd en lukte het de KNMV, met de hulp van de FMC, een vergunning te verkrijgen voor een internationale wedstrijd op het door de Duitsers aangelegde vliegveld vlak buiten Leeuwarden. Het aantal van 100.000 bezoekers dat de Tourist Trophy van Assen in 1946 trok zal zeker hebben bijgedragen aan het positieve oordeel over het verzoek. Dat aantal zou helaas niet in Leeuwarden komen opdagen. Op 19 juli 1947 kwamen zo'n 20.000 bezoekers de motor- zijspan- en autoraces aanschouwen. FMC-lid Sieb 'Guzzi' Postma veroverde in de 350cc-klasse de tweede plaats, Jan van der Ley werd eveneens tweede in de 250cc-klasse voor junioren terwijl hun in de 500cc-klasse uitkomende clubgenoot Gerrit Roosjen door een slechte start helaas niet verder kwam dan de vierde plaats. Geen onverdienstelijke resultaten in een sterk gevuld internationaal deelnemersveld. De Friezen hoefden zich op eigen bodem niet te schamen.

Ook op de openbare weg kon mondjesmaat worden gereden en dat werd met twee handen aangegrepen. FMC-leden namen deel aan een door 'De Stormvogels' uit Dokkum uitgeschreven rit naar de olievelden bij Schoonebeek en samen met de Garijpse club 'Us Aerdichheit' werd in Garijp een terreinrit georganiseerd. Vanzelfsprekend werd ook weer een Elfstedentocht uitgeschreven, waaraan zeshonderd motorrijders deelnamen. Twee leden, Kok en Kuipers, veroorzaakten hierbij nogal wat consternatie door zich via een kennis in Engeland te laten inschrijven als Brits-IndiŽrs. Aldus geschminkt en gekleed verschenen zij aan de start, opgewacht door een nieuwsgierige menigte en het voltallige FMC-bestuur. Groot was de hilariteit toen bleek dat iedereen, het bestuur incluis, er was ingestonken. Een bijzondere rit die in hetzelfde jaar werd verreden was de KNMV-sterrit 'Oorlogsmonument' naar Amsterdam. Samen met zo'n drieduizend andere motorrijders werd geld ingezameld voor de oprichting van oorlogsmonumenten. Deze uitzonderlijke rit verkreeg eenieders goedkeuring en derhalve hoefden de deelnemers geen speciale Zondagsvergunning te halen.

Mede door een grootschalige ledenwerfactie, waarbij zelfs een retourvlucht Leeuwarden-Amsterdam als prijs werd ingezet, steeg het ledental van een kleine zeventig in 1946 tot bijna vierhonderd in 1947. Hieronder waren ook vijf vrouwen, hetgeen door de secretaris apart werd vermeld. Ondanks de lage contributie van É 2,50 was er geld over om enige moderniteiten in te voeren. Zo werd het jaarverslag 'gecyclostyleerd' en aan de leden toegezonden, werden de ritten aangekondigd door middel van circulaires en werd gepoogd een clubblad van de grond te krijgen. In 1947 kwam er ook een antwoord op de vraag of de FMC die in 1934 was opgericht 'weer' een FMC was of 'nog steeds' die van 1914. De heer L.J. de Vos, oprichter in 1914 en inmiddels in Assen woonachtig, meldde het bestuur dat de 'oude' FMC nooit was geliquideerd en hij was dan ook verheugd dat de 'huidige' FMC springlevend was. De voortzetting kon zijn goedkeuring dragen en ten bewijze hiervan overhandigde hij het bestuur enige foto's en documenten uit zijn archief en, later, het oude clubinsigne. Het bestuur besloot per omgaande De Vos tot erelid te benoemen, waarover die zeer verheugd was en dit als erkenning van zijn vroegere verdiensten voor de FMC zag. 

Door deze gebeurtenissen was de FMC plotsklaps twintig jaren historie rijker geworden en zij kaartte dat onmiddellijk aan bij de KNMV, die zich kon vinden in deze opvolging. Op deze wijze had Friesland een van de oudste motorclubs van Nederland binnen haar grenzen gekregen. Ouderdom ging echter niet samen met gebreken, integendeel. Dat de financiŽle toestand van de club minder florissant was dan waarop was gerekend weerhield het bestuur er niet van tal van evenementen te organiseren en volop mee te denken over de toekomst van het motorrijden. Evenals in de jaren voor de oorlog, werd niet tevergeefs een beroep gedaan op het Friese bedrijfsleven. Die bood welwillend de helpende hand, variŽrend van een vrachtauto als servicewagen tijdens een rit tot de vertoning van films op de clubavonden in de wintermaanden. Die films waren afkomstig van het oliebedrijf Texaco, maar ook de oliebedrijven Esso en Quaker State zagen, logischerwijs, in de motorrijders een grote doelgroep en verleenden steun in diverse vormen, zoals het verzorgen van drukwerk ten behoeve van de ritten.

De naoorlogse winteravonden werden niet alleen gevuld met films, ook diverse causerieŽn over techniek, reizen en verkeersregels werden gehouden. Een ander opvallend fenomeen dat in dit jubileumboekje zeker niet mag ontbreken is het bestaan van een toneelgroep. Min of meer spontaan ontstaan uit het succes dat enige leden hadden met eenakters op diverse clubavonden, werd er vanaf 1949 georganiseerd en geregisseerd opgetreden op de grote en kleine feest- en clubavonden in 'De Groene Weide'. Het gemixte gezelschap oogstte niet alleen waardering binnen de eigen gelederen, maar werd ook uitgenodigd voor optredens bij andere motorclubs, de Belastingdienst, de Vereniging van Melkhandelaren, gymnastiekverenigingen enzovoort. Het was dan ook niet verwonderlijk dat werd besloten de toneelgroep over eigen financiŽle middelen te laten beschikken. Dat 'eigen' moest echter ruim gezien worden, want zodra de clubkas in de verdrukking kwam meldde de penningmeester steevast dat de kas van de toneelgroep over voldoende reserves beschikte om de club uit de problemen te houden. Dit uiteraard tot ongenoegen van de toneelgroep, die dat standpunt niet deelde. Gelukkig heeft de penningmeester nooit daadwerkelijk zijn macht hoeven laten gelden, waardoor de uitermate goede verstandhouding tussen de toneelgroep en het bestuur niet in het gedrang kwam. Het gegeven dat ook echtgenotes van bestuursleden, zoals mevrouw Van der Werff, de vrouw van de vice-voorzitter, deel uitmaakten van de toneelgroep en dat enige bestuursleden zelf ook wel eens met succes hun toneelspeelvaardigheden tentoonspreiden heeft waarschijnlijk ook aan die goede verstandhouding bijgedragen. Helaas was er onder de leden te weinig animo om de toneelgroep met vers bloed te versterken en dit, gecombineerd met het ouder worden van enkele prominente krachten, leidde ertoe dat begin jaren zestig de toneelgroep werd opgeheven.

Dat de FMC een rijk clubleven kende valt niet alleen af te leiden uit het bestaan van een toneelgroep maar ook uit de drukbezochte feestavonden. Eind 1947 sloten meer dan 550 leden, verwanten en afgevaardigden van de KNMV en Friese motorclubs het seizoen af met een groots feest, waarbij enkele introducťs het helaas nodig vonden enige onrust te stoken. Twee jaar later was er zelfs een speciale feestavond op 14 mei, midden in het seizoen, ter ere van het zevende lustrum van de FMC. In hetzelfde jaar werd een begin gemaakt met het organiseren van maandelijkse clubavonden. Gezien de grote opkomst bleken deze aan de behoefte te voldoen. Maar de hoofddoelstelling van de FMC was uiteraard niet de leden door het organiseren van spelletjes en toneelavonden van de straat te houden. Nee, het omgekeerde was veel belangrijker: ze moesten de straat op! 

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In 1948 werd er van overheidswege slechts zeer spaarzaam toestemming verleend om sportevenementen te organiseren en, op verzoek van de overheid, drong de KNMV aan op vrijwillige beperking van het benzineverbruik. Tegenslagen, maar van de nood werd een deugd gemaakt. In 1949 werd besloten dat het bestuur voortaan ondersteund zou worden door een sportcommissie en gezamenlijk bogen zij zich over een aantal praktische problemen op wedstrijd- en toerrittechnisch gebied. De wijze waarop de diverse clubs in Friesland en de rest van Nederland hun oriŽntatieritten uitzetten, een strafpuntensysteem hanteerden, de routes beschreven en de uiteindelijke score berekenden was verre van uniform te noemen en leidde derhalve ook geregeld tot onbegrip en frustraties bij de deelnemers. Uit overleg tussen de acht clubs in Friesland kwam een prima hanteerbaar reglement tot stand dat, toen er behoefte bleek aan een landelijk geldend reglement, in bijna onveranderde vorm door de KNMV werd overgenomen en aldus landelijke geldigheid kreeg. De vruchten hiervan zijn nog steeds, uiteraard in gemoderniseerde vorm, terug te zien in de wijze waarop de huidige toerritten en -competities worden uitgeschreven en bijgehouden.

In datzelfde jaar 1949 kwam een man naar voren die gedurende vele jaren het voorzitterschap van de FMC op zich zou nemen. In 1947 schreef de heer A.G. Jager zich in als lid van de FMC en stelde zich tevens beschikbaar als voorzitter. Jager was geen onbekende in de motorwereld. Zo had hij MC 'Goirle' helpen oprichten en was daar jarenlang tot eenieders tevredenheid voorzitter van geweest. Op zijn bestuurlijke kwaliteiten hadden de leden dan ook geen aanmerkingen, wel op het feit dat hij pas net lid was geworden en onmiddellijk opteerde voor het voorzitterschap. Echter, niet alle leden deelden die opvatting en na stemming bleken de zittende voorzitter, J.H. Jansonius, en Jager beide evenveel stemmen te hebben gekregen. Na herstemming kreeg Jansonius uiteindelijk ťťn stem meer en bleef voorzitter gedurende de verenigingsjaren 1947 en 1948. In 1949 werd Jager met een nipte meerderheid tot voorzitter gekozen.

Het gezag over de FMC verkreeg hij niet zonder slag of stoot. In zijn eerste jaar als voorzitter ging het gerucht binnen de FMC dat Jager en algemeen adjudant Schrader deze functies niet optimaal zouden konden vervullen omdat zij geen Friezen waren. Of hier oprecht sprake was van nationalisme of van laag-bij-de-grondse afgunst van een aantal leden valt niet meer te achterhalen, maar de versbakken voorzitter moest handelend optreden. Hij en Schrader stelden hun functie ter beschikking, overigens in de wetenschap dat op dat moment geen van de leden de ambitie had voorzitter dan wel algemeen adjudant te worden. De leden werden overvallen door deze kordate stap en haastten zich openlijk het vertrouwen in de beide bestuursleden uit te spreken. Jager en Schrader aanvaarden weer hun respectievelijke functies. Schrader vervulde later de functie van secretaris en stopte in 1951 met bestuurlijke taken. Jager bleef tot 31 januari 1966 actief als voorzitter en drukte zo een groot stempel op de vereniging. Het moge evenwel duidelijk zijn dat de veranderingen die binnen de FMC plaatsvonden niet aan ťťn man mogen worden toegeschreven. Naast de overige bestuursleden en de leden van de sportcommissie waren er nog vele, vaak anonieme leden die hun steentje bijdroegen aan de ontwikkelingen. Maar, zoals in de inleiding al gesteld, ook de FMC kon niet ontkomen aan de ontwikkelingen in de Nederlandse en internationale gemeenschap. Zij kon deze slechts zo gunstig mogelijk invoegen in de praktijk van het verenigingsleven.

Een van die ontwikkelingen was dat steeds meer mensen het zich konden veroorloven een gemotoriseerd transportmiddel aan te schaffen. Naast de groeiende populariteit van de auto, werd eind jaren veertig het rijwiel met hulpmotor, de brommer, een geliefd vervoersmiddel. De FMC reageerde op deze ontwikkeling door zowel automobilisten als brommerrijders toe te laten en zelfs met de geplande ritten te laten meerijden. Nu was het altijd al gebruikelijk geweest dat auto's meereden in de Elfstedentocht, hetgeen nauwelijks problemen opleverde. Maar met de lage snelheid van de brommers moest terdege rekening worden gehouden. Dit werd gedaan door aangepaste routes of vroegere starttijden. Naast de reeds bestaande klassen, te weten de sport-, toertijd- en toerklasse, werd de bromfietsklasse ingevoerd. Een ander gevolg van het groeiende aantal gemotoriseerde verkeersdeelnemers was dat de kennis en toepassing van de verkeersregels in steeds grotere mate van belang waren om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen. Teneinde die kennis te verhogen, was door de KNMV een landelijke, schriftelijke Verkeerscompetitie uitgeschreven. Middels een provinciale competitie zouden de zes beste leden per club tevoorschijn komen, waaruit uiteindelijk een provinciale kampioensclub naar voren kwam. Deze club zou het opnemen tegen de overige provinciekampioenen.

De FMC pakte de competitie serieus aan en liet een aantal geschikte kandidaten voor de competitie klaarstomen door inspecteur Snoek van de Leeuwarder politie. De leden streden voor wat ze waard waren, maar andere Friese clubs waren net zo ambitieus. Meer dan eens verloor de FMC met een miniem verschil de provinciale competitie van MAC 'Zuid-Friesland' uit Heerenveen. Niet helemaal in het verlengde hiervan liggend maar qua naam wel overeenkomsten vertonend, was de jaarlijkse Veilig Verkeersrit, die door de FMC zelf werd uitgeschreven. Automobilisten, motorrijders, brommerrijders en fietsers konden een route volgen waarop zij op ongeregelde plaatsen door leden van de Verkeersgroepen van de gemeente- en rijkspolitie op hun verkeerskennis werden getest. In 1953 werd de opbrengst van deze op 14 maart gehouden rit, samen met een donatie en de opbrengsten van een gehouden loterij, gestort in het Nationaal Rampenfonds dat opgericht was ten behoeve van de slachtoffers van de rampzalige dijkdoorbraak in Zeeland. Om het aantal deelnemers maar zo groot mogelijk te krijgen, was door de KNMV geregeld dat ook motoren die 'niet in de belasting' waren die dag mochten meerijden. 

De leden van de FMC waren nooit vies geweest van enige competitie en toen begin jaren vijftig het motorrijden, met uitzondering van op de zondagen, zo goed als vrijgegeven werd, werd er al spoedig een clubcompetitie opgezet. De inmiddels tot negen man gegroeide sportcommissie schreef elk jaar een flink aantal oriŽnteringsritten uit, onderverdeeld in een junior- en een seniorklasse. De klassenindeling gold voor zowel auto- als motordeelnemers. Het wedstrijdelement voerde de boventoon, maar deelname op zich werd ook gewaardeerd. Ter verdere stimulering van deelname aan clubritten en -avonden werd in 1951 de 'Van der Ley-plaquette' in het leven geroepen. Deze plaquette werd jaarlijks uitgereikt aan het lid dat de meeste keren present was geweest op de verschillende FMC-evenementen. Tegelijkertijd werden jaarlijks een aantal 'trouwe leden' benoemd. Aan het einde van het clubjaar bepaalde het bestuur het aantal presenties dat nodig was om deze titel te verkrijgen. In 1955 werd de 'Van der Werff-wisselprijs' ingesteld, bestemd voor degene die de Veilig Verkeersrit met de minste strafpunten uitreed. Ook bij ritten die door derden werden uitgeschreven waren FMC-leden van de partij. Bij dergelijke ritten werden bekers uitgereikt voor de grootste club, een prijs die de delegaties van de FMC met enige regelmaat in de wacht sleepten. In 1953 verkreeg de club een zeer prestigieuze wisselbeker, namelijk de door de directie van het Zwitserse motormerk 'Universal' en de N.V. 'R.S. Stokvis en Zoonen' aangeboden prijs voor grootste aantal deelnemers aan de KNMV-rondrit. Deze beker was van uitmuntende kwaliteit en fraai ontwerp en het bestuur was er alles aan gelegen deze permanent in haar bezit te krijgen. Na drie jaren op rij als grootste afvaardiging aan de KNMV-rondrit te hebben deelgenomen, werd dat ideaal in 1956 werkelijkheid.

Elk clubjaar kende twee hoogtepunten: in het motorseizoen de Elfstedentocht, buiten het motorseizoen de jaarlijkse feestavond. Het aantal deelnemers aan de Elfstedentocht werd elk jaar groter en de organisatie van dit grootse evenement kostte het bestuur en de sportcommissie veel hoofdbrekens. Zo verviel 'De Groene Weide' als vaste locatie voor de start en finish, dit mede door onenigheid met de uitbater over de kosten van de muziek. Vanaf 1950 viel hotel 'Amicitia' de eer te beurt de FMC en haar gasten te mogen ontvangen, maar in 1953 was de opkomst van achthonderd deelnemers al te groot en werd uitgeweken naar het Beursgebouw. Aangezien de KNMV in 1954 haar gouden jubileum wenste te vieren op Tweede Pinksterdag, moest de tocht, onder protest, naar Tweede Paasdag worden verschoven. Dit viel erg slecht bij de driehonderd leden en zelfs het grote aantal van duizend deelnemers kon dit niet verzachten. Het evenement bleef gestaag groeien en in 1960 werd de grens van tweeduizend deelnemers overschreden. In de loop der jaren was de administratieve afhandeling flink verbeterd en vormde dit aantal geen probleem.

Sinds 1955 werden ook buitenlanders tot de rit toegelaten en kreeg de FMC internationaal aanzien. Het terugkerende belang van de tocht werd niet alleen onderschreven door de vele bedrijven die al dan niet belangeloos hun steun verleenden, maar ook door de provinciale en nationale pers. Voor en na de tocht verschenen steevast uitvoerige verslagen, opgevrolijkt met foto's van stoffige motoren, auto's en brommers. De Elfstedentocht bracht ook financiŽle voorspoed voor de club. De penningmeester liet rond Pinksteren meer dan tienduizend gulden door zijn handen gaan, volgens sommige leden voldoende aanleiding een tweede kascontrolemoment in te lassen. Overigens niet vanwege een gebrek aan vertrouwen, maar uitsluitend ter assistentie en ontlasting van de penningmeester. Die had daar echter geen behoefte aan en daar bleef het dan ook bij. Naast de inkomsten had de FMC uiteraard ook hoge kosten, want alle deelnemers werden voorzien van een herinneringsplaquette met daarop de naam van een van de Friese steden en ook de winnaars in de diverse klassen werden niet met lege handen naar huis gestuurd. Vanaf 1955 verviel hiervan de sportklasse, enerzijds vanwege dalende interesse, anderzijds vanwege artikel 24 van de Wegenverkeerswet dat stelde dat voor 'iedere rit met enig prestatievergelijk' een ministeriŽle vergunning benodigd was, met alle rompslomp van dien.

Het andere jaarlijkse hoogtepunt, de feestavond, is hierboven al even aangehaald. Maar dit evenement nam een dusdanig belangrijke plaats op de agenda in, dat enige uitwijding is gerechtvaardigd. Het ledenaantal kende een kleine daling rond de jaren '53-'54, maar klom daarna snel tot boven de zeshonderd. Het zeshonderdste lid kreeg een sigarettenkoker met inscriptie uitgereikt, maar dat ter zijde. Een feest organiseren voor die zeshonderd leden, hun aanhang en genodigden van de KNMV en motorclubs uit Friesland was elk jaar weer een kunst op zich. In de bovenzaal van hotel 'Amicitia' was in oktober 1955 te weinig ruimte om alle feestgangers te huisvesten en derhalve werd een tweede avond georganiseerd. De feestavonden werden opgevrolijkt door de onvolprezen toneelgroep, maar ook werd wel eens naar ander vertier gezocht. Dat pakte niet altijd zo uit zoals het bestuur zich had voorgesteld, zoals de keer dat een ingehuurde goochelaar, in plaats van de gewenste trekpleister, een grote sof bleek te zijn. Maar over het algemeen verliepen de feesten naar eenieders wens en de jaarlijks in het leven geroepen feestcommissies kregen de complimenten die hen toekwamen.

Tussen alle bedrijvigheid door moest er ook nog bestuurd worden. De bestuursleden deden dat zeer serieus en het mag dan ook geen verwondering wekken dat zij de statuten van de FMC aanpasten aan de gewijzigde situatie. Op 27 februari 1951 kregen de gewijzigde statuten koninklijke goedkeuring en was de vereniging weer helemaal rechtsgeldig. Deze statuten zijn enerzijds van belang omdat de juridische opvolging van de 'oude' FMC hiermee formeel was geregeld, anderzijds omdat die statuten op enige opvallende punten afweken van de vorige. Zo was het geen doelstelling meer de belangen van de FMC, haar leden en de motorsport bij de overheid voor te staan. Deze taak werd overgenomen door de KNMV, waarmee de FMC zich verbond. En inderdaad, van gesprekken met overheidsinstanties en rebelse acties als waarschuwingsborden plaatsen was geen sprake meer. Verder waren er geen consuls en werd de bepaling dat personen uit de garage- en oliebranche geen bestuurslid mochten zijn geschrapt. Al met al was de FMC de wilde haren van weleer kwijtgeraakt en moest zij zich bezighouden met de dagelijkse realiteit. Bij die dagelijkse realiteit behoorden vanzelfsprekend ook conflicten en verwijten en de FMC zou een rare eend in de verenigingsbijt zijn geweest als die niet waren voorgevallen. Ze ontkennen heeft weinig zin, evenmin als ze oprakelen. 

Een belangrijke taak van het bestuur was het onderhouden van de goede contacten. Soms ging dat op heel aparte wijze. Zo waren de vier Wegenwachters die van, tot en in Leeuwarden patrouilleerden op de Sinterklaasavonden een uurtje te gast bij het bestuur, waarna zij weggingen met sigaretten voor zichzelf en een boterletter voor het gezin. Op die manier uitte de FMC haar waardering voor de 'gele rijders'. Andere belangrijke contacten werden onderhouden met de KNMV, waarvan alle vergaderingen bezocht werden, en met motorclubs in binnen- en buitenland. Dit ging het bestuur zo goed af dat de secretaris elke vergadering weer een stapel uitnodigen kon melden. Ook het contact met de in 1949 afgescheiden Dokkumse FMC-afdeling verliep vriendschappelijk. 

Wat ook tot de realiteit van een motorclub behoorde en nog steeds behoort, is het uitschrijven van ritten en organiseren van evenementen voor de leden en andere clubs en deze bekend stellen. Naast de al eerder aangehaalde Elfstedentocht was er natuurlijk nog veel meer te doen. Een kleine greep uit het aangebodene laat zien dat een FMC-lid zich geen moment hoefde te vervelen. Zo werd er jaarlijks een Sterrit naar Grouw uitgeschreven en in 1954 werd de eerste VERON-rit georganiseerd. In samenwerking met de Vereniging voor Experimenteel Radio-onderzoek werden de FMC-leden met een duo annex peiler op pad gestuurd om her en der opgestelde 'geheime zenders' op te sporen. Dit veroorzaakte wel enige consternatie in de omgeving, maar was een leuke vorm van een oriŽntatierit. De rit was zo'n succes, dat ze in latere jaren herhaald werd en zelfs in de winter in een wandelvorm werd gehouden. De wintermaanden waren bij uitstek geschikt voor wandelingen in allerlei vormen, variŽrend van een vossenjacht tot een echte oriŽntatietocht. Maar ook binnenshuis konden de leden zich vermaken, bijvoorbeeld tijdens een kienavond of een 'Bokken- en geitenavond'. Werd voor de oorlog alleen een 'Bokkenavond' georganiseerd, vanaf de jaren vijftig vierden de mannen en vrouwen gezamenlijk feestjes. Met dien verstande dat het wenselijk was dat deze avonden bij voorkeur bezocht dienden te worden door 'honkvaste geiten', waarschijnlijk om pijnlijke toestanden te voorkomen. Al deze ritten en evenementen werden vanaf 1954 aangekondigd in een clubblad, dat vierwekelijks verscheen.

Het is onmogelijk alle ritten hier te vermelden, maar er is ťťn rit waaraan leden van de FMC deelnamen die gewoonweg niet onvermeld mŠg blijven. In september 1960, het jaar waarin de FMC eindelijk ook de KNMV-clubcompetitie won, werd de FMC uitgenodigd deel te nemen aan een internationale Sternfahrt naar Berlijn, uitgeschreven door 'Motorsportclub Victoria'. De afvaardiging van de FMC, met in de tassen een brief van de burgemeester van Leeuwarden, de heer Van der Meulen, voor zijn West-Berlijnse ambtgenoot Willy Brandt, behaalde tal van prijzen: mevrouw Van der Weide ontving de tweede prijs voor de verstwegkomende deelneemster, terwijl de heren De Jong, De With en Feenema prijzen ontvingen voor respectievelijk de tweede, derde en vierde prijs voor de verstwegkomende deelnemer per auto. De FMC kreeg de eerste prijs voor de buitenlandse club met de meeste rijderspunten, ter beschikking gesteld door burgemeester Brandt, de eerste prijs voor de buitenlandse club met de meeste deelnemers, de eerste en tweede teamprijs voor de buitenlanders, de eerste prijs voor de mooiste groep buitenlanders bij het defilť en de eerste prijs voor de buitenlandse club met de meeste passagiers. Los van deze memorabele score werd de brief van Van der Meulen aan loco-burgemeester dr. P. Bloch overhandigd, een blijk van internationale verbondenheid en, mogelijk, wederzijds respect na moeilijke en pijnlijke jaren. De FMC was de koning te rijk en kreeg van de internationale en nationale pers de aandacht die ze verdiende. Maar al die prijzen brachten ook praktische problemen met zich mee: waar moesten ze gelaten worden? Met dit gewichtige probleem in gedachten stappen we over naar de jaren zestig, het decennium waarin grote maatschappelijke veranderingen zouden plaatsvinden.